Werkingsprincipe en kenmerken van een industriële droogmachine:
Zuiver water verdampt het snelst onder kookomstandigheden. Bij normale druk begint zuiver water te koken bij een temperatuur van 100 °C. Onder vacuümomstandigheden, omdat de dampdruk in het systeem lager is dan die aan het materiaaloppervlak, ligt het kookpunt van water onder de 100 °C. Bijvoorbeeld: bij een oppervlaktedruk van 0,07 MPa kookt water bij 70 °C. Hoe hoger de vacuümdruk, hoe lager het kookpunt. In een vacuümdroger kan verdampt water snel worden afgevoerd door het vacuümsysteem. Daardoor heeft deze droger een grotere droogcapaciteit, ondanks de lagere bedrijfstemperatuur.
Tijdens de werking van de apparatuur bevindt het materiaal zich in een statische toestand, wat gunstig is voor het behoud van de oorspronkelijke staat van het materiaal. Door de intermitterende werking kunnen de procesomstandigheden op elk moment worden aangepast.
Bovenop de FZG-serie droger is een verwarmingssysteem aangebracht om het probleem van de terugvoer van condenswater aan te pakken. Daarnaast is aan de zijkant een luchtzuigsysteem geplaatst om de droogefficiëntie te verbeteren.
Deze apparatuur kan worden gebruikt voor drogen bij lage temperaturen en het terugwinnen van oplosmiddelen. De warmtebronnen kunnen stoom, heet water of warmtegeleidende olie zijn. Het is met name geschikt voor materialen die tijdens het drogen gemakkelijk oxideren.
Kenmerken van de industriële droogmachine:
Het kan een hogere droogsnelheid bereiken bij een lagere temperatuur en de warmte-energie kan volledig worden benut.
Het kan drogen bij lage temperaturen of kan warmtegevoelige grondstoffen drogen.
Het kan grondstoffen drogen die oplosmiddelen bevatten, waarbij de oplosmiddelen teruggewonnen moeten worden.
Voor het drogen kan een desinfectiebehandeling worden uitgevoerd. Tijdens het droogproces kunnen er geen onzuiverheden in het apparaat terechtkomen. De droger is een statische vacuümdroger, waardoor de vorm en het volume van de grondstoffen niet beschadigd raken.